Author: lauri
• donderdag, oktober 21st, 2010

Van tijd tot tijd ben ik weer blij dat ik in een universiteitsstad woon. Niet zozeer vanwege de aantallen studenten die de stad bevolken, maar vanwege de wetenschap die zo dicht bij de hand is. Ik maak graag en veel gebruik van de universiteitsbibliotheek bij het schrijven van boeken en artikelen. Tevens ben ik in de gelegenheid lezingen en seminars van internationaal bekende wetenschappers bij te wonen. Zo was ik op 7 oktober jl. aanwezig bij een seminar van de Amerikaanse filosoof dr. Elisabeth Young-Bruehl. De titel was: “The Roots of Prejudices” en ging over de wortels van vooroordelen, en dan vooral over gender-gerichte vooroordelen zoals seksisme en homofobie. En dat is ook mijn meest recente onderzoeksterrein. Vandaar mijn belangstelling. Maar het liep anders, die middag.
Mevrouw Young-Bruehl is geschoold in de psychoanalyse, de leer van Freud. Nu ben ik niet echt een fan van Freud, vanwege zijn vrouwonvriendelijke stellingnames, dus ik was erg benieuwd wat de spreekster ervan zou maken. Ze gebruikte de drie libidotypes van Freud als ‘verklaring’ voor diverse vooroordelen, die mensen kunnen hebben.
Het bekendste is het hysterische type, dat is iemand die een innerlijk conflict heeft van seksuele oorsprong. In Freud’s tijd waren dat vooral vrouwen die seksuele verlangens hadden, die ze niet mochten uitleven. Freud dacht dat hysterie een typisch vrouwelijk verschijnsel was. Later heeft hij toegegeven dat er ook mannelijke hysterie voorkomt, maar dit heeft hij nooit verder uitgewerkt. Terwijl hysterische vrouwen hun gevoelens vooral op het eigen lichaam projecteren, richten mannelijke hysterische personen hun innerlijk conflict op de buitenwereld. Dit uit zich vooral in blank racisme. De zwarte mens wordt dan gezien als iemand met zondige, ‘donkere’ seksuele verlangens, wat de blanke zowel mist als begeert. Een vooroordeel voorkomend uit hysterie schrijft de veroordeelde groep een bepaald – vaak seksueel – rolpatroon voor en wenst die groep te exploiteren. Een duidelijk voorbeeld daarvan is de slavernij in Amerika, waarbij zwarten zowel zwaar lichamelijk werk moesten doen voor de blanken als seksueel werden uitgebuit. Ook vormen van homofobie komen voort uit hysterie.
Het tweede karaktertype wat Freud beschrijft is het obsessieve type. Dat zijn doorgaans mensen met een sterke neiging tot controle en met een rigide moraal. Een obsessief persoon gelooft in een samenzwering. Hij denkt dat een bepaalde groep de samenleving tracht te infiltreren en vervolgens wil overnemen. Die groep zou dan een geheime agenda hebben, van elders komen (van buitenaf) en ook mensen hebben die hen steunen. Leden van die gevreesde groep kunnen zelfs wel naast je wonen, je buren zijn. Dat is de dominante fantasie van een geobsedeerd persoon. Zijn antwoord op de veronderstelde dreiging is: ontneem die groep hun burgerrechten, vervolgens: breng ze samen in een bepaalde omgeving (ghetto) en tenslotte: drijf ze het land uit of elimineer ze op andere wijze. De meest bekende vorm van dit vooroordeel is antisemitisme. Ook bepaalde vormen van homofobie behoren hiertoe. Denk maar aan het aan homo’s ontzeggen van het recht op huwelijk en adoptie, dat nog in veel landen bestaat. Maar, zegt Young-Bruehl, ook de huidige islamofobie behoort tot dit type vooroordeel.
Het derde freudiaanse persoonlijkheidtype is de narcist. Een narcist heeft een laag gevoel van eigenwaarde en is bang zelf geen identiteit te hebben. Om dat te compenseren ontneemt hij anderen hun identiteit en stelt zichzelf superieur op. Dit uit zich o.a. in seksisme, waarbij aan anderen ( vrouwen) hun identiteit wordt ontnomen, met het oogmerk die anderen te kunnen controleren. Ook onderdrukking van kinderen hoort bij deze groep.(dat kan dus ook door narcistische vrouwen gedaan worden) Toegepast op homoseksuelen: die groep wordt dan ontkend of onzichtbaar gemaakt. Een voorbeeld hiervan is het ‘don’t ask, don’t tell’-principe in het Amerikaanse leger. Dr. Young-Bruehl wilde met haar betoog onder meer duidelijk maken dat homoseksuelen met alle drie de vormen van vooroordeel te maken kunnen hebben.

Ik vond dat allemaal erg interessant, omdat het een indicatie geeft welke psychologische mechanismen er kunnen zitten achter vooroordelen die mensen hebben. Echter, het is mijn overtuiging dat vooroordelen in de samenleving vooral voortkomen uit de collectieve cultuur. Ik vind de psychoanalytische benadering nogal eenzijdig gericht op het individu, op het persoonlijke onderbewuste van iemand. Dat onderbewuste is volgens Freud een fundamentele kern, die niet beïnvloed is of wordt door de sociale wereld. De verlangens die in dit geïsoleerde onderbewuste leven vormen dan de oorzaken van alle innerlijke conflicten van de mens. Dat betekent in Young-Bruehl’s visie dat ook vooroordelen voortkomen uit dit onderbewuste veld en niets te maken hebben met de wereld rondom. Van Jung kennen we het concept van het collectieve onderbewuste, maar ook hij ziet de beelden hierin – de archetypen – als universeel en niet cultureel gebonden. Ik ben het daar hartgrondig mee oneens. Uit mijn boek is hopelijk duidelijk gebleken dat deze zogenaamde universele beelden veranderen naarmate een cultuur van karakter verandert. Het is naar mijn mening het patriarchale kerngezin dat in de westerse cultuur de basis vormt voor de seksuele opvoeding van het jonge kind en de daaruit voorvloeiende geestelijke misvormingen. We zien in culturen waar een andere, vrijere seksuele moraal heerst, dat de libidotypen die Freud beschrijft, helemaal niet voorkomen en dat ook de archetypen daar anders zijn.

Islamofobie.
Ik was benieuwd hoe mevrouw Young-Bruehl het ontstaan van collectieve vooroordelen ziet. Want in de freudiaanse visie gaat het toch om losse individuen, wier onderbewusten niets met elkaar te maken hebben?En hoe is het in dit kader dan mogelijk dat één charismatisch individu een hele samenleving zomaar van richting kan laten veranderen? Waar zoiets gebeurt, is er natuurlijk een basis voor in die samenleving, anders zou het niet aanslaan. Met andere woorden: er is al een collectief vooroordeel aanwezig. Bijvoorbeeld: in het nazistische Duitsland heerste al een diepgeworteld antisemitisme, anders had Hitler nooit succes kunnen hebben. Iets daarvan moest Young-Bruehl ook erkennen toen ze aangaf:
“You live in a certain society where a dominant form of prejudice exists and individuals are
picking it up in specific ways.”
Direct bij het begin van het debat stelde ik haar daarom de vraag vraag wat zij als verklaring ziet voor de recente opleving van de islamofobie in heel Europa. Immers deze tendens komt niet alleen voor in Nederland, maar ook in tal van andere Europese landen. Haar antwoord was ongeveer als volgt:
Tot ongeveer tien jaar geleden was Nederland een uiterst tolerant land, terwijl hier toen ook al veel mensen uit verschillende culturen woonden, zoals uit het Caribisch gebied en ook uit moslimlanden. Echter, de sociale zekerheden en samenhang uit de 70-er jaren begonnen de afgelopen jaren te verschuiven en uit elkaar te vallen. De sociaal-democratische verzorgingsstaat begint af te brokkelen.(ten gunste van het liberale marktmechanisme) Er wordt geen doel meer ervaren in de samenleving, mensen raken van elkaar geïsoleerd en voelen zich niet langer verbonden. In dit veld van toenemende onzekerheid vindt op 11 september 2001 de aanslag plaats op de Twin Towers in New York, waardoor ieders aandacht zich in één klap richt op de islamitische wereld. (Dit is natuurlijk sterk in de hand gewerkt door president Bush jr., die een gemeenschappelijke vijand nodig had.) Tevens, zei zij, was er sinds de Tweede Wereldoorlog een toenemend besef gekomen dat de manier van oorlogvoering op onze planeet veranderd is. We zien dat het veel meer gaat om grote groepen mensen, hele volkeren, die tegelijkertijd vernietigd worden. Eerst waren het de gaskamers, daarna de atoombom, later de massa-bombardementen, en nu de terroristische aanslagen op onschuldige burgers. Dat alles brengt een algemeen gevoel voort van ‘niemand is veilig’. Zo’n soort situatie, zegt Young-Bruehl, is een voedingsbodem voor het ontstaan van paniek en paranoia. En obsessiviteit gaat over het omgaan met dit soort diepe angsten, over het trachten af te wenden van de gevaren die onze samenlevingen lijken te bedreigen. Zelfs goedbedoelende mensen raken geïnfecteerd door de angstscenario’s. Tot zover de visie van dr. Young-Bruehl.

De hamvraag.
Deze analyse lijkt mij in grote lijnen juist, maar toch ontkomen we niet aan een belangrijke vraag. Namelijk deze: waar komen die al aanwezige onderliggende collectieve vooroordelen toch vandaan? Het is mij al eerder opgevallen dat in onze cultuur de verschillen tussen mensen sterker worden benadrukt dan de overeenkomsten. Hoe komt dat? Is het een natuurlijke menselijke eigenschap om mensen in hokjes te plaatsen of is dat cultuurbepaald? Want het zijn juist de aan bepaalde groepen toegeschreven kenmerken of karaktertrekken, die vooroordelen gemakkelijk laten ontstaan.
Iedereen die mijn boek goed gelezen heeft, zal al wel vermoeden waar mijn antwoord heen gaat. Het gaat mij om de aard van onze (westerse ) cultuur. Die is in wezen patriarchaal. En patriarchaliteit betekent per definitie onderscheid maken tussen mensen, verschillen versterken in plaats van afzwakken. Een patriarchale denkwijze schept polariteit. Immers, patriarchaal staat gelijk met dominantie. De sociologe Riane Eisler spreekt dan ook van een dominatorsamenleving. Een samenleving waarin de ene groep de andere domineert móet de verschillen wel accentueren, anders is het niet duidelijk wie tot de gedomineerde groep behoort. Dat was al zo in de tijd van Plato en dat is nog steeds het geval. Een patriarchale samenleving creëert een barrière tussen ‘wij’ en ‘zij ‘. Zo’n samenleving is exclusief, het sluit mensen buiten. Een niet-patriarchale cultuur, door Eisler een partnerschapscultuur genoemd, is inclusief. Dat betekent dat nieuwe en soms vreemde elementen gemakkelijker worden omarmd en dus geïntegreerd in het al bestaande. Een inclusieve samenleving is niet gebaseerd op angst, maar op openheid, nieuwsgierigheid. Een exclusieve samenleving is bang voor verlies van identiteit, bang voor het verlies van comfort. Hoe komt dat? Omdat een patriarchale, exclusieve samenleving ooit ontstaan is uit angst. Angst voor honger, voor materieel gebrek, angst voor vernietiging. Een patriarchale samenleving verdedigt zichzelf, sluit de rijen en zoekt een vijand van buitenaf. Een partnerschapsamenleving echter is open voor verandering, want ze vertrouwt op samenwerking en is vanuit het inclusieve tolerant.
Dat is mijns inziens het antwoord op bovengestelde vraag. De aard van onze cultuur is de oorzaak waarom er altijd allerlei collectieve vooroordelen op de loer liggen. Want we zijn gewend andere mensen met andere gewoonten en andere geloven argwanend te bekijken. Dat is een levenshouding geworden. Het is geen natuurlijke eigenschap van mensen. Het is aangeleerd gedrag. Dus het kan ook weer afgeleerd worden.

Slot.
Hoe zouden we nu moeten omgaan met mensen en bewegingen die polarisatie scheppen? Welnu, zegt Elisabeth Young–Bruehl, we zouden in de eerste plaats op moeten houden ze verwijten te maken. Want dat leidt tot verharding. Het is belangrijk te erkennen – ook in het openbare debat – dat mensen zich onzeker voelen en angstig vanwege de economische situatie. Dus: toon begrip en sympathie. Verander je houding van vijandigheid in het luisteren naar waarom deze mensen zo boos zijn. In de tweede plaats, zegt zij, politici zouden moeten opstaan en zeggen: zien jullie niet dat dit – islamofobie- hetzelfde is als antisemitisme? Maar zulke dingen mag je niet hardop zeggen, daar rust een stevig taboe op. Ik ken maar één politicus die dat een tijdje geleden al gezegd heeft, namelijk Jan Marijnissen. Young-Bruehl constateert dat gematigde politici te begripvol zijn en niet de ruggengraat hebben stelling te nemen. Daarmee veroorzaken ze zelf dat obsessieve personen macht krijgen.
Het boeiende van die middag was dat het seminar na mijn vraag een heel andere kant op ging dan was voorzien. Veel aanwezigen sloten met hun opmerkingen hierbij aan en bijna het hele debat ging over het meest actuele vooroordeel dat nu in Europa speelt, de islamofobie. Graag had ik nog over andere aspecten met mevrouw Young-Bruehl van gedachten gewisseld, maar daar was geen tijd meer voor. Al met al een interessante middag die veel stof tot nadenken geeft.

Category: Ongerubriceerd
You can follow any responses to this entry through the RSS 2.0 feed. You can leave a response, or trackback from your own site.

One Response

  1. Wederom een interessant artikel! Kan me helemaal vinden in je analyse. Ik denk ook dat vooroordelen niet zozeer voortkomen uit het individuele onderbewuste, maar uit een soort kwantumfysisch collectief of bovenpersoonlijk veld met overtuigingen die we als ‘normaal’ zijn gaan beschouwen, zonder er verder bij stil te staan. De black box, zoals jij het noemt. Dit is een soort culturele erfenis. Ik zie het als een boekenkast met ‘verhalen’ die we bij geboorte gratis krijgen van onze voorouders en ik zie het als een taak van elke generatie om de inhoud van die boekenkast kritisch te (her)bezien en aan te passen aan de (moderne) tijd. Geestelijke evolutie. Doen we dat niet, dan doen we onszelf en elkaar een hoop ellende aan door verouderde overtuigingen aan elkaar op te dringen. Dan gaat het ‘wringen’ in de samenleving.

    Een voorbeeld is de krampachtige manier waarop wij omgaan met de zogenaamde islamisering van Nederland. We hebben zo’n beetje alle dubbelhartigheid van het christendom op ‘de islam’ geprojecteerd. De Koran zou een achterlijk boek zijn. Het oude testament wel eens gelezen? Met die lieve here god die het ene moment rechtvaardig en wijs is en het volgende moment moordlustige woedeaanvallen krijgt? Je wordt tegenwoordig voor minder opgesloten. Een vriendin van mij vertelde me dat haar dochtertje naar een christelijke school gaat. Daar had ze verder niet zo bij stilgestaan, maar op een dag kwam haar dochtertje thuis met het verhaal van de kruisiging van Jezus. Hoe dat toch zat? Vriendin baalde als een stekker. Ik heb er geen zin in dat mijn kinderen die flauwekul op hun bord krijgen, zei ze, het valt niet uit te leggen.
    Precies. Voordat we anderen gaan beschuldigen van de achterlijkheid van hun cultuur, zullen we ons eigen huiswerk eerst eens afmaken?

    Ik vraag me af of de tolerantie die we onszelf als Nederlanders altijd hebben aangemeten echt tolerantie was. Achteraf bezien was het misschien wel onverschilligheid. Die nu pas naar boven komt doordat de samenleving en economie door allerlei oorzaken onder druk is komen te staan. We worden uitgedaagd, zou je kunnen zeggen. Wie ben je als je onder druk komt te staan? Kun je dan ook bij je eigen kernwaarden blijven? Of ga je anderen verwijten dat ze jouw beperken in je (bewegings)vrijheid? Ik denk dat nu – door druk van binnen de samenleving en van daarbuiten – duidelijk wordt wat onze werkelijke (culturele) aard is – m.i. is de westerse cultuur diep doordrongen van slachtoffergedrag. En dan moet ik toch met het vingertje naar de kerkelijke (patriarchale) eeuwenlange indoctrine wijzen. We zijn gehersenspoeld met de gedachte dat de mens een inferieur wezen is dat de mens het nog niet waard is om de schoenen van de here God te poetsen. En vrouwen zijn op hun beurt weer ietsje minder waard dan mannen. Waardoor vrouwen eeuwenlang zijn onderdrukt. Dat is nog steeds niet voorbij. Alleen waar vroeger mannen vrouwen onderdrukten, doen vrouwen dat nu zelf, door zichzelf en andere vrouwen allerlei regels op te leggen. Een voorbeeld is het legertje Nederlanse (t)opzijvrouwen die vinden dat macht die niet publiek zichtbaar is (het mannelijke domein) geen echte macht is. Sinds Neelie Kroes in de hoogste EU-boom zit moeten alle vrouwen die kant op. Weer een nieuw patriarchaal dogma, in een feministisch jasje. Alsof onzichtbare macht, waar het oog van de camera niet bovenop staat, geen macht is. En welke macht zou krachtiger zijn? Of met andere woorden: autonomer? Ben je vrijer om te handelen als vrouw met publiek zichtbare macht of juist niet? Een discussie waard.

    Je ziet het patriarchaat overal terug. Ook m.b.t. de discussie rondom ‘het verheffen van de onderklasse’. Maar die onderklasse zal altijd blijven bestaan – of anders gezegd: worden gecreëerd door middel van maatstaven die telkens verschuiven, omdat we worden gedreven door sociale status. Ook wij kennen een soort kastensysteem. Vroeger werd je sociale status bepaald aan de hand van je bezittingen, de materiemaatschappij. Nu schuiven we steeds meer op naar een kennismaatschappij waarbinnen je sociale status wordt bepaald aan de hand van de lenigheid van je hersenen.
    En o wee als de soepelheid van je grijze massa te wensen overlaat want dan staat er een groot leger goedbedoelende mensen klaar om je te ‘helpen’. Neem nou het labelfetisjisme in de geestelijke gezondheidszorg. ADD, ADHD, PDD-NOS, Asperger etc. etc. Huisartsen die complete ‘te drukke’ gezinnen aan de drugs helpen (Ritalin). Waar zijn we nou mee bezig? Is er echt iets mis met ál deze mensen? Of meten we misschien met de verkeerde maten? M.i. getuigt deze totaal doorgeslagen diagnostisering (en problematisering) van een totaal disrespect voor de aard van de mens an sich. Het is net alsof we onszelf willen ‘herontwerpen’ naar een ander beeld. Ben je niet voorspelbaar, betrouwbaar, ondernemend, levenslustig, hardwerkend etc. etc.? Allemaal randvoorwaarden die bijdragen tot het reduceren van mensen tot een functionele productie-eenheid. Ben je niet functioneel? Dan plakken we er een labeltje op en gaan we ons met z’n allen tegen je aan bemoeien. Wie denken we wel niet dat wel zijn om onszelf en elkaar zo te be- en veroordelen? We zijn kennelijk niet in staat om onszelf als menselijk wezen met een open blik te bezien, zonder de economisch-functionele of christelijk-moralistische bril op.

    De uitdaging van deze tijd is om in je eigen kracht te blijven staan, no matter what je overkomt. En om elkaar te waarderen om wie we zijn, in plaats van wat we kunnen.

Leave a Reply