Archive for ◊ maart, 2009 ◊

Author: lauri
• woensdag, maart 04th, 2009

Dit is het tweede artikel over het thema vrouwelijkheid & mannelijkheid: een ontdekkingsreis in een misschien wel onbekend territorium.
Het is algemeen aanvaard dat ieder van ons een mannelijk en een vrouwelijk deel in zich draagt. Ongeacht of we nu man of vrouw zijn. Mannelijkheid en vrouwelijkheid zijn dus niet sekse-gebonden.

Maar nu gaan we een stap verder. In dit artikel ga ik het niet hebben over de inhoud van deze begrippen, maar over de geslachtsbepaling zélf.
Wij kennen twee geslachten of seksen: man en vrouw. Iemand met mannelijke geslachtsdelen is een man en iemand met vrouwelijke geslachtskenmerken is dus een vrouw. We bepalen dat aan de hand van de biologie van het menselijk lichaam. Simpel en duidelijk toch? We hebben dus een dichotoom of dualistisch geslachtsssysteem. En wij denken dat dit algemeen, over de hele wereld, zo aanvaardt wordt; dat het zo is. Helaas, dit is westerse hoogmoed. In feite is de westerse cultuur hierin tamelijk uniek. Overal op de wereld waar het westerse denken nog geen grip heeft op het leven, vinden we volkeren die uitgaan van méér dan twee geslachten. Hoe kan dat nou? Dat komt omdat in de meeste niet-westerse culturen niet wordt uitgegaan van biologische verschillen in het bepalen van iemands geslacht, maar van andere factoren. Daar gaat dit artikel over.

Gender.
Eerst wil ik hier iets zeggen over de terminologie. In het Nederlands spreken we van ‘geslacht’of ‘sekse’. Ik vindt dat tamelijk hinderlijke termen, omdat ze altijd associaties oproepen met seksualiteit. Bovendien kan ‘geslacht’ ook worden opgevat als ‘generatie’, zoals in de taal van de Bijbel: “tot in het 3e en 4e geslacht”. In het Engels wordt een veel neutralere term gebruikt, namelijk ‘gender’. De meeste onderzoekers op dit gebied, ook in Nederland, hanteren dit engelse woord ‘gender’. Dat woord zal ik dan ook af en toe gebruiken.

Uit voortschrijdend onderzoek naar niet-westerse culturen over de hele wereld blijkt, dat men daar een onderscheid maakt tussen gender en biologie. Dus: iemands biologische kenmerken zijn losgekoppeld van iemands geslacht. Een persoon met mannelijke geslachtskenmerken kan heel goed een vrouw zijn en omgekeerd. Welk geslacht iemand heeft wordt bepaald door de sociale context, door diens beroep of werk en ook door de persoonlijkheid. Als een man bij voorkeur vrouwenwerk wil doen en zich als vrouw kleedt, wordt hij in de vrouwengemeenschap als mede-vrouw verwelkomd. Let wel: vrouwenwerk is in niet- westerse culturen niet minderwaardig, maar juist heel belangrijk. Als een vrouw graag wil jagen, vechten, constructiewerk doen en zich met de mannen verbindt, wordt zij man genoemd. In veel culturen worden kinderen dan ook niet meteen vanaf de geboorte als jongetje of meisje benoemd, nee het kind is vrij om zich in alle richtingen te ontwikkelen en pas in de puberteit bepaalt het jonge mens welk geslacht hij/zij kiest. Men ziet dat als een natuurlijke keuze van de ziel. Gendervariatie komt in allerlei vormen voor bij inheemse culturen over de hele wereld; niet alleen in Amerika, maar ook in heel Afrika, in China, Japan, Siberië, Nieuw Zeeland, Polynesië etc. Bij sommige volkeren kende men een ‘derde geslacht’, bij anderen vier geslachten/genders: man, vrouw-man, man-vrouw en vrouw. Zelfs in Europa is het een bekend verschijnsel geweest, tot vér na de Griekse beschaving. In 1994 is een onderzoek gepubliceerd over 120 vrouwen die als man leefden bij Slavische volken in de Balkan. Van tenminste 150 vrouwen in Nederland tussen 1550 en 1839 is met naam en toenaam bekend, dat zij als man leefden. Dat is natuurlijk het topje van de ijsberg, omdat er in die tijd weinig over geschreven werd. Het is vrijwel ondoenlijk om uit de overweldigende hoeveelheid informatie voorbeelden te kiezen, maar één voorbeeld wil ik graag geven, namelijk van het volk van de Navajo (Diné) in Noord Amerika. Zij kennen vijf genders: de vrouwelijke vrouw, de mannelijke vrouw, de hermafrodiet, de vrouwelijke man en de mannelijke man, in die volgorde. En volgens sommigen is er zelfs sprake van een zesde gender. Als nu twee mensen met dezelfde biologische kenmerken, maar van een verschillend gender met elkaar een (seksuele) relatie hebben, is dat in hun ogen géén same-sex-relatie. Westerse antropologen zagen dat in eerste instantie ten onrechte aan voor homoseksualiteit. Men gaf deze mensen de naam ‘berdache’. Dat woord komt uit het arabisch en betekent zoiets als ‘lustknaap’. Het moge duidelijk zijn dat deze term door de betrokkenen als zeer vernederend ervaren en afgewezen werd. Bij deze volkeren zelf hadden de personen van het ‘tussengeslacht’ vaak een bijzondere plaats in de gemeenschap; zij werden geëerd om hun kwaliteit als overbrugger van het vrouwelijke en mannelijke. In sommige stammen werden zij gezien als door de Grote Geest geroepen om zo te zijn en veel van deze mensen vervulden een rol als sjamaan, opvoeder van kinderen, vertrouwenspersoon bij relatieconflicten e.d.
Toen de blanken het grote westen van Amerika binnenstroomden, werden de volken daar geconfronteerd met het westerse dichotome geslachtssysteem, dat hen als volkomen vreemd en onnatuurlijk voorkwam. Het christelijk geloof dat de blanken meebrachten bevestigde dit systeem als van god gegeven en verklaarde alles wat anders was tot ‘zonde’.  Daardoor zijn de nieuwe generaties indianen vervreemd geraakt van hun oorpronkelijke flexibele waarden op het gebied van gender en man-vrouw verhoudingen. Diegenen van hen die zich niet voelen passen in het tweepolige gendersysteem, en die nu veelal buiten de huidige reservaten leven, zijn zichzelf gaan aanduiden met de naam ‘two-spirit-people’.( in plaats van de term ‘berdache’) Dat betekent dat zij zowel de geest van het vrouwelijke als die van het mannelijke in zich dragen.
Over vrouwen die een andere geslachtsrol aannamen was in eerste instantie niets bekend. Antropologen waren meestal mannen, en spraken met mannelijke stamvertegenwoordigers. Er was zowiezo bij westerse onderzoekers weinig tot geen aandacht voor de vrouwen van deze volkeren. Later werd veel meer bekend over de krachtige en leidinggevende rollen die vrouwen in het algemeen gespeeld hebben voordat de blanken kwamen en ook over vrouwelijke ‘two-spirits’.

Seksuele voorkeur niet bepalend.
Overigens moet met nadruk gezegd worden dat niet iedere ‘two-spirit’ een seksuele relatie heeft met iemand van hetzelfde biologische geslacht. Velen zijn gewoon gehuwd met iemand van het tegenovergestelde (biologische) geslacht. Seksualiteit of seksuele voorkeur is dan ook niet het belangrijkste kenmerk van een ‘two-spirit’-persoon. Dat hebben westerse onderzoekers ervan gemaakt, maar in wezen gaat het daar niet over. Het gaat er om welke plaats in de samenleving iemand in neemt en in wil nemen. Het is ook mogelijk dat dezelfde persoon gedurende de loop van haar/zijn leven meerdere gender-rollen leeft. Wanneer de context van iemands leven verandert, kan ook diens gender veranderen. Het blijft dus een meer of minder vloeiend gegeven. Grondslag hiervan is het bij niet-westerse volken diepgevoelde aspect van verandering dat aan de basis van alle leven ligt. Men ervaart de wereld als een dynamisch proces en alle leven als onderling verbonden. Een besef dat wij westerlingen grotendeels kwijt zijn geraakt – reden waarom we er zo naarstig naar op zoek zijn.

Partnerschap- versus dominantie-samenlevingen.
Het lijkt er sterk op dat gendervariaties bij niet-westerse volken vooral voortkwam uit de matrifocale partnerschapsculturen van veel volkeren in de pré-koloniale fase. (Volgens Paula Gunn Allen waren 80 % van de inheemse volkeren van Amerika matrifokaal georganiseerd, voordat de blanken kwamen.). Uit onderzoek in Afrika blijkt bijvoorbeeld dat men vóór de kolonisatie door de blanken een verschuivend gender-systeem bezat, dat eveneens gebaseerd was op een matrifocale voorgeschiedenis. Naarmate een cultuur meer mannelijk-dominant wordt, worden de tegenstellingen tussen mannen en vrouwen aangescherpt en is een tweedeling het gevolg. Je zou kunnen zeggen: door het patriarchaat is een tegenstelling gecreërd tussen het vrouwelijke en het mannelijke, die er vóór die tijd niet was. Zoals ik ook in mijn boek heb geschetst, werd in de prehistorie vrouwelijkheid en mannelijkheid vooral als complementair, aanvullend, gezien. Zo was het ook bij de inheemse volkeren van Amerika en elders. In die gedachtengang is het dan ook begrijpelijk dat men het mannelijke en vrouwelijke als een vloeiende overgang beleeft.

Slot.
Wij westerlingen hebben overal een naamkaartje op geplakt. Daarmee is alles statisch gemaakt. Ieder moet een hokje hebben, waar hij/zij in geplaatst kan worden en als je daar niet in past ben je ‘afwijkend’. Onze medische wetenschap ziet alleen een lichaam en bepaalt aan de hand daarvan ons geslacht. Dat is een gevolg van ons analytisch denken. Dit soort denken isoleert de mens van haar/zijn omgeving. Zo hebben wij voor de persoonlijke en natuurlijke behoeften van mensen etiketten bedacht: man, vrouw, heteroseksueel, homoseksueel, biseksueel, travestiet, transseksueel, etc.(zelfs ‘metroseksueel’ ). Maar ook in de westerse wereld zijn er mensen die niet in een hokje passen; die zich niet thuisvoelen bij het etiket ‘man’ of ‘vrouw’. Deze mensen noemen zich ook wel transgenders. In deze kringen wordt dan ook gepleit door een gendercontinuüm, een soort een lijn waarbij de vaste waarden over man en vrouw aan de uiteinden liggen en waarover wij ons in het leven gevarieerd kunnen voortbewegen. Kunnen we ons vinden in die gedachtengang, dan hoeven we onze identiteit niet langer te ontlenen aan verschillen ten opzichte van de ander, maar zijn we beter in staat de overeenkomsten tussen onszelf en de medemens te ontdekken.