Author Archive

Author: lauri
• donderdag, februari 27th, 2014
Al jaren zoek ik in mezelf een verbinding tussen de westerse spiritualiteit en de oosterse, zoals bv het Boeddhisme. In de sangha van de Indiase meester Osho heb ik mijn eerste schreden gezet op het pad van meditatie. Later ben ik in de New Age cultuur terecht gekomen. Ik was een mediamiek kanaal voor gidsen en engelen, toen de godin Isis bij me kwam en ik haar ging channelen. Daarmee kwam ik in aanraking met het Goddelijk Vrouwelijke. Na mijn mediamieke periode ben ik het traject van een westerse sjamaan gegaan. Toen heb ik ook mijn boek geschreven: Het Evangelie van Isis. Maar hoe verbind ik nu al die elementen met elkaar?
Kortgeleden kwam ik een artikel tegen van Tsultrim Allione, een vrouwelijke Lama in de Tibetaanse traditie. Het heet: Prajñaparamita, Sohia and the Feminine Principle . 1 Dat was voor mij heel verhelderend. Het inspireerde mij om het navolgende artikel te schrijven.
In het eerste hoofdstuk van Het Evangelie van Isis heb ik het uitvoerig over Sophia gehad. Ik beschrijf het wereldbeeld van de Gnostiek, die in Egypte haar ontstaan vond. De Joodse gnostici in de Egyptische stad Alexandrie drukten namelijk hun inwijdingsweg uit in de mythe van Sophia. Sophia is het Griekse woord voor “Chokmah”, de Joodse godin van Wijsheid.
Nu wordt het verhaal van Sophia gekenmerkt door een terminologie die op z’n minst verwarrend is, en voor mij als vrouw denigrerend aandeed. Kort gezegd komt het hier op neer: Sophia wordt opgedeeld in twee aspecten, het ene is een zuiver, hemels aspect en het tweede een aards, zondig aspect, Achamoth genoemd. Dit lagere aspect van Sophia moet gered worden door de man, namelijk de Zoon van haar Vader in de hemel. Deze daalt als de Bruidegom neer in het stof en haalt Achamoth uit de duisternis, waarin ze leeft. Daardoor wordt haar naam weer Sophia en is ze opnieuw welkom in haar Vader’s huis.
Op deze wijze legden de toenmalige gnostici de inwijdingsweg van de mens uit in symbolische vorm. Maar binnen dit verhaal wordt het vrouwelijke aspect afgeschilderd als ondergeschikt aan het mannelijke en daardoor is het moeilijk te verstaan. Immers, als deze beide aspecten ongelijkwaardig zijn, hoe kan er dan een zuivere eenheid ontstaan? Deze discrepantie heb ik in het eerste hoofdstuk laten zien. Het beeld-en woordgebruik van de gnostische mythe zorgt voor verwarring en belemmert het zicht op de ware betekenis van de Gnostiek. Die betekenis gaat namelijk over het Heilig Huwelijk als de verbinding, niet alleen tussen het innerlijke vrouwelijke en innerlijke mannelijke, maar ook tussen de ziel en het lichaam, tussen binnen en buiten. Door dit huwelijk wordt de dualiteit overstegen en komt de mens tot heelheid.
Het boeiende van de vergelijking tussen culturen is dat er vaak dwarsverbanden zichtbaar worden, waardoor we tot een beter begrip komen. Tsultrim Allione vergelijkt de godin Sophia met de godin Prajñaparamita, uit Zuid-India. Daar wonen van oudsher de Dravidiërs, een volk met een matriarchale traditie. De verering van Prajñaparamita bestond waarschijnlijk al bij deze Dravidiërs en is via de Boeddhistische geleerde Nagarjuna toegevoegd aan het Mahayana-Boeddhisme.
Dit vond plaats rond dezelfde tijd als de opkomst van Sophia in de Mediterrane wereld, namelijk aan het begin van het eerste millenium van de christelijke jaartelling. Je zou het kunnen zien als de gelijktijdige herrijzing van de Grote Moeder in het collectieve bewustzijn van de mensheid. Maar ook is er mogelijk sprake van een andere connectie tussen deze twee ver-verwijderde gebieden. In Amaravati, het gebied van Andra Pradesh, waar de Dravidiërs vandaan komen, staat namelijk een Boeddhistische stupa, die gekenmerkt wordt door een architectuur die zowel Dravidische als Griekse kenmerken heeft en dan met name Alexandrijnse. Dat zou kunnen betekenen dat er contact was tussen deze twee plaatsen: Alexandrië en Amaravati. En wederzijdse beinvloeding is dan zeker niet uitgesloten.
Net als Sophia wordt Prajñaparamita gezien als de draagster van innerlijke wijsheid. Het woord prajña betekent: “Grote Kennis” en wijst op een direct inzicht in de ware natuur van de werkelijkheid. Net als Sophia werd ze genoemd ”moeder”. In de Boeddhistische cultuur: ”Moeder van de Boeddha’s”. Zo was Sophia in wezen de Moeder van de gnostici.
Sophia was verbonden met de kosmische wet, en Prajñaparamita met de dharma. Hier is enige toelichting op z ‘n plaats. Sophia is de draagster van de wet, ook wel genoemd de waarheid, een kwaliteit die ze heeft overgenomen van de Egyptische godin Ma’at. Het gaat hierbij niet alleen om uiterlijke ‘regels’, maar veel meer om een innerlijke houding van respect voor al wat leeft. Dit rechtvaardigheidsgevoel, de wet van Ma’at komt in het oude Egypte rechtstreeks voort uit het matriarchale clanbewustzijn dat tot de 12e eeuw v. chr. de omgangsvormen in de samenleving bepaalde. Het begrip dharma, dat bekend is in de oosterse wereld, heeft vele betekenissen waaronder: de kosmische orde als basis voor het menselijk leven. We zien hier dat het oerbesef van hoe met elkaar om te gaan vanuit een innerlijk weten van de kosmische werkelijkheid, een collectief gegeven is in het bewustzijn van de hele mensheid, want het duikt op in allerlei culturen.
Zoals ik verderop in mijn boek heb aangegeven, werd Sophia in haar tijd sterk vereenzelvigd met Isis. Je zou zelfs met enige voorzichtigheid kunnen zeggen: Sophia is de Joodse Isis. De Joodse Gnostiek, die de basis was van het oerchristendom, is in Alexandrië geboren. ( zie hoofdstuk twee). In de toenmalige Egyptisch-Griekse wereld was Isis eveneens herboren als de Grote Moeder die zij was in de Neolitische tijd. In het Neoliticum was zij het beeld van de gehele schepping, werd gezien als: “de deur of poort naar een verborgen dimensie van zijn dat haar baarmoeder was, de eeuwige bron en regenerator van het leven”.2
Bij de creatie van de mythe van Sophia is teruggegrepen op het toen zeer bekende verhaal van Isis, die haar Osiris zoekt op haar tocht over de aarde, als symbool van het zoeken van de mens naar eenheid. Maar in de mythe van Sophia zijn enkele wezenlijke dingen omgedraaid. In plaats van de grote, magische Isis, heerseres over leven en dood, die zelf haar geliefde tot leven wekt, is het geworden een Sophia die gered moet worden door haar Bruidegom. Aan de ene kant wordt Sophia dus door de gnostici vereerd als de Grote Moeder, aan de andere kant wordt ze verdeeld tussen een ‘hoger’en een ‘lager’deel en is verworden tot een hulpeloze, dolende vrouw.
Aan de vergelijking met Prajñaparamita kunnen we aflezen dat Sophia oorspronkelijk, net als Isis, bekend was als De Bron van het Zijn. Niet als de dwalende, verloren godin, maar als de wetende; als de heelheid Zelf. En dan bestond de inwijdingsweg van de gnosticus uit de terugkeer naar de ongebroken eenheid van het Goddelijk Vrouwelijke. Of, zoals Tsultrim Allione het zegt: “… We beginnen contact te maken met onze ware natuur: onuitsprekelijk, onvoorstelbaar en zonder lokatie, zonder illusie, maar spontaan aanwezig. Het omkeren van ons verloren zelf naar binnen en de herkenning van de Grote Moeder van wie we gescheiden zijn geraakt, is waarschijnlijk de meest essentiële reis die ieder van ons ooit zal maken.”
Er is nóg een overeenkomst tussen Sophia en Prajñaparamita. We weten dat het Boeddhisme geen gepersonificeerd godsbeeld kent. Het gaat om het vinden van de goddelijke kern in onszelf. Er is geen autoriteit ‘boven’ of buiten ons, die gezag draagt. De karakteristieken van de oude godinnen en goden worden dan ook vooral gezien als kwaliteiten. Dat geldt evenzo in de Gnostiek, die wordt gezien als de kennis van het hart, de innerlijke openbaring. Doel is om de onbewuste staat van de mens te transformeren in een staat van ontwaakt bewustzijn. Daarbij is er geen behoefte aan geestelijke leiding van buitenaf of verering van een godsbeeld; het beschouwen van de innerlijke wereld is voldoende. Tot grote ergernis van de Kerk accepteerden de gnostici geen andere dan de innerlijke autoriteit. Gnostici proberen dieper te gaan dan welk beeld of personificatie dan ook van goddelijkheid, en kunnen die alleen verwoorden als Licht, dat uitsluitend kan worden waargenomen als een innerlijke ervaring. Het Vrouwelijk Oerbeginsel, zoals Sophia en Prajñaparamita, worden in beide culturen identiek omschreven: oorspronkelijk, alomvattend,vormloos en ondefinieerbaar; niet in woorden uit te drukken. Als zodanig vertegenwoordigen zij beiden het begrip “the Ground of Being”, de Bron van het Zijn.
Dit besef, namelijk dat de Bron van het Al in essentie vrouwelijk is, leidt tot een radikaal andere visie dan die waarmee ik ben opgevoed. Niet is de Godin “de vrouw van”, zoals Hera de vrouw was van Zeus. Ook is zij niet “de dochter van God”, zoals Ma ‘at en Sophia. Sterker nog, zij is evenmin ”het vrouwelijk aspect van God”. Nee, zij IS God, het goddelijke. Zij, de Godin, is de verbeelding, het symbool van het Al, de Oorsprong, de Creatrix, de Kern. Dit besef betekende een omwenteling in mijn denken, in mijn spiritualiteit. Maar daarover gaat het volgende artikel: De weg terug: van de Vader naar de Moeder.
2“The Myth of the Goddess”van Anne Barings & Jules Cashford, pag. 165.
Author: lauri
• donderdag, oktober 21st, 2010

Van tijd tot tijd ben ik weer blij dat ik in een universiteitsstad woon. Niet zozeer vanwege de aantallen studenten die de stad bevolken, maar vanwege de wetenschap die zo dicht bij de hand is. Ik maak graag en veel gebruik van de universiteitsbibliotheek bij het schrijven van boeken en artikelen. Tevens ben ik in de gelegenheid lezingen en seminars van internationaal bekende wetenschappers bij te wonen. Zo was ik op 7 oktober jl. aanwezig bij een seminar van de Amerikaanse filosoof dr. Elisabeth Young-Bruehl. De titel was: “The Roots of Prejudices” en ging over de wortels van vooroordelen, en dan vooral over gender-gerichte vooroordelen zoals seksisme en homofobie. En dat is ook mijn meest recente onderzoeksterrein. Vandaar mijn belangstelling. Maar het liep anders, die middag.
Mevrouw Young-Bruehl is geschoold in de psychoanalyse, de leer van Freud. Nu ben ik niet echt een fan van Freud, vanwege zijn vrouwonvriendelijke stellingnames, dus ik was erg benieuwd wat de spreekster ervan zou maken. Ze gebruikte de drie libidotypes van Freud als ‘verklaring’ voor diverse vooroordelen, die mensen kunnen hebben.
Het bekendste is het hysterische type, dat is iemand die een innerlijk conflict heeft van seksuele oorsprong. In Freud’s tijd waren dat vooral vrouwen die seksuele verlangens hadden, die ze niet mochten uitleven. Freud dacht dat hysterie een typisch vrouwelijk verschijnsel was. Later heeft hij toegegeven dat er ook mannelijke hysterie voorkomt, maar dit heeft hij nooit verder uitgewerkt. Terwijl hysterische vrouwen hun gevoelens vooral op het eigen lichaam projecteren, richten mannelijke hysterische personen hun innerlijk conflict op de buitenwereld. Dit uit zich vooral in blank racisme. De zwarte mens wordt dan gezien als iemand met zondige, ‘donkere’ seksuele verlangens, wat de blanke zowel mist als begeert. Een vooroordeel voorkomend uit hysterie schrijft de veroordeelde groep een bepaald – vaak seksueel – rolpatroon voor en wenst die groep te exploiteren. Een duidelijk voorbeeld daarvan is de slavernij in Amerika, waarbij zwarten zowel zwaar lichamelijk werk moesten doen voor de blanken als seksueel werden uitgebuit. Ook vormen van homofobie komen voort uit hysterie.
Het tweede karaktertype wat Freud beschrijft is het obsessieve type. Dat zijn doorgaans mensen met een sterke neiging tot controle en met een rigide moraal. Een obsessief persoon gelooft in een samenzwering. Hij denkt dat een bepaalde groep de samenleving tracht te infiltreren en vervolgens wil overnemen. Die groep zou dan een geheime agenda hebben, van elders komen (van buitenaf) en ook mensen hebben die hen steunen. Leden van die gevreesde groep kunnen zelfs wel naast je wonen, je buren zijn. Dat is de dominante fantasie van een geobsedeerd persoon. Zijn antwoord op de veronderstelde dreiging is: ontneem die groep hun burgerrechten, vervolgens: breng ze samen in een bepaalde omgeving (ghetto) en tenslotte: drijf ze het land uit of elimineer ze op andere wijze. De meest bekende vorm van dit vooroordeel is antisemitisme. Ook bepaalde vormen van homofobie behoren hiertoe. Denk maar aan het aan homo’s ontzeggen van het recht op huwelijk en adoptie, dat nog in veel landen bestaat. Maar, zegt Young-Bruehl, ook de huidige islamofobie behoort tot dit type vooroordeel.
Het derde freudiaanse persoonlijkheidtype is de narcist. Een narcist heeft een laag gevoel van eigenwaarde en is bang zelf geen identiteit te hebben. Om dat te compenseren ontneemt hij anderen hun identiteit en stelt zichzelf superieur op. Dit uit zich o.a. in seksisme, waarbij aan anderen ( vrouwen) hun identiteit wordt ontnomen, met het oogmerk die anderen te kunnen controleren. Ook onderdrukking van kinderen hoort bij deze groep.(dat kan dus ook door narcistische vrouwen gedaan worden) Toegepast op homoseksuelen: die groep wordt dan ontkend of onzichtbaar gemaakt. Een voorbeeld hiervan is het ‘don’t ask, don’t tell’-principe in het Amerikaanse leger. Dr. Young-Bruehl wilde met haar betoog onder meer duidelijk maken dat homoseksuelen met alle drie de vormen van vooroordeel te maken kunnen hebben.

Ik vond dat allemaal erg interessant, omdat het een indicatie geeft welke psychologische mechanismen er kunnen zitten achter vooroordelen die mensen hebben. Echter, het is mijn overtuiging dat vooroordelen in de samenleving vooral voortkomen uit de collectieve cultuur. Ik vind de psychoanalytische benadering nogal eenzijdig gericht op het individu, op het persoonlijke onderbewuste van iemand. Dat onderbewuste is volgens Freud een fundamentele kern, die niet beïnvloed is of wordt door de sociale wereld. De verlangens die in dit geïsoleerde onderbewuste leven vormen dan de oorzaken van alle innerlijke conflicten van de mens. Dat betekent in Young-Bruehl’s visie dat ook vooroordelen voortkomen uit dit onderbewuste veld en niets te maken hebben met de wereld rondom. Van Jung kennen we het concept van het collectieve onderbewuste, maar ook hij ziet de beelden hierin – de archetypen – als universeel en niet cultureel gebonden. Ik ben het daar hartgrondig mee oneens. Uit mijn boek is hopelijk duidelijk gebleken dat deze zogenaamde universele beelden veranderen naarmate een cultuur van karakter verandert. Het is naar mijn mening het patriarchale kerngezin dat in de westerse cultuur de basis vormt voor de seksuele opvoeding van het jonge kind en de daaruit voorvloeiende geestelijke misvormingen. We zien in culturen waar een andere, vrijere seksuele moraal heerst, dat de libidotypen die Freud beschrijft, helemaal niet voorkomen en dat ook de archetypen daar anders zijn.

Islamofobie.
Ik was benieuwd hoe mevrouw Young-Bruehl het ontstaan van collectieve vooroordelen ziet. Want in de freudiaanse visie gaat het toch om losse individuen, wier onderbewusten niets met elkaar te maken hebben?En hoe is het in dit kader dan mogelijk dat één charismatisch individu een hele samenleving zomaar van richting kan laten veranderen? Waar zoiets gebeurt, is er natuurlijk een basis voor in die samenleving, anders zou het niet aanslaan. Met andere woorden: er is al een collectief vooroordeel aanwezig. Bijvoorbeeld: in het nazistische Duitsland heerste al een diepgeworteld antisemitisme, anders had Hitler nooit succes kunnen hebben. Iets daarvan moest Young-Bruehl ook erkennen toen ze aangaf:
“You live in a certain society where a dominant form of prejudice exists and individuals are
picking it up in specific ways.”
Direct bij het begin van het debat stelde ik haar daarom de vraag vraag wat zij als verklaring ziet voor de recente opleving van de islamofobie in heel Europa. Immers deze tendens komt niet alleen voor in Nederland, maar ook in tal van andere Europese landen. Haar antwoord was ongeveer als volgt:
Tot ongeveer tien jaar geleden was Nederland een uiterst tolerant land, terwijl hier toen ook al veel mensen uit verschillende culturen woonden, zoals uit het Caribisch gebied en ook uit moslimlanden. Echter, de sociale zekerheden en samenhang uit de 70-er jaren begonnen de afgelopen jaren te verschuiven en uit elkaar te vallen. De sociaal-democratische verzorgingsstaat begint af te brokkelen.(ten gunste van het liberale marktmechanisme) Er wordt geen doel meer ervaren in de samenleving, mensen raken van elkaar geïsoleerd en voelen zich niet langer verbonden. In dit veld van toenemende onzekerheid vindt op 11 september 2001 de aanslag plaats op de Twin Towers in New York, waardoor ieders aandacht zich in één klap richt op de islamitische wereld. (Dit is natuurlijk sterk in de hand gewerkt door president Bush jr., die een gemeenschappelijke vijand nodig had.) Tevens, zei zij, was er sinds de Tweede Wereldoorlog een toenemend besef gekomen dat de manier van oorlogvoering op onze planeet veranderd is. We zien dat het veel meer gaat om grote groepen mensen, hele volkeren, die tegelijkertijd vernietigd worden. Eerst waren het de gaskamers, daarna de atoombom, later de massa-bombardementen, en nu de terroristische aanslagen op onschuldige burgers. Dat alles brengt een algemeen gevoel voort van ‘niemand is veilig’. Zo’n soort situatie, zegt Young-Bruehl, is een voedingsbodem voor het ontstaan van paniek en paranoia. En obsessiviteit gaat over het omgaan met dit soort diepe angsten, over het trachten af te wenden van de gevaren die onze samenlevingen lijken te bedreigen. Zelfs goedbedoelende mensen raken geïnfecteerd door de angstscenario’s. Tot zover de visie van dr. Young-Bruehl.

De hamvraag.
Deze analyse lijkt mij in grote lijnen juist, maar toch ontkomen we niet aan een belangrijke vraag. Namelijk deze: waar komen die al aanwezige onderliggende collectieve vooroordelen toch vandaan? Het is mij al eerder opgevallen dat in onze cultuur de verschillen tussen mensen sterker worden benadrukt dan de overeenkomsten. Hoe komt dat? Is het een natuurlijke menselijke eigenschap om mensen in hokjes te plaatsen of is dat cultuurbepaald? Want het zijn juist de aan bepaalde groepen toegeschreven kenmerken of karaktertrekken, die vooroordelen gemakkelijk laten ontstaan.
Iedereen die mijn boek goed gelezen heeft, zal al wel vermoeden waar mijn antwoord heen gaat. Het gaat mij om de aard van onze (westerse ) cultuur. Die is in wezen patriarchaal. En patriarchaliteit betekent per definitie onderscheid maken tussen mensen, verschillen versterken in plaats van afzwakken. Een patriarchale denkwijze schept polariteit. Immers, patriarchaal staat gelijk met dominantie. De sociologe Riane Eisler spreekt dan ook van een dominatorsamenleving. Een samenleving waarin de ene groep de andere domineert móet de verschillen wel accentueren, anders is het niet duidelijk wie tot de gedomineerde groep behoort. Dat was al zo in de tijd van Plato en dat is nog steeds het geval. Een patriarchale samenleving creëert een barrière tussen ‘wij’ en ‘zij ‘. Zo’n samenleving is exclusief, het sluit mensen buiten. Een niet-patriarchale cultuur, door Eisler een partnerschapscultuur genoemd, is inclusief. Dat betekent dat nieuwe en soms vreemde elementen gemakkelijker worden omarmd en dus geïntegreerd in het al bestaande. Een inclusieve samenleving is niet gebaseerd op angst, maar op openheid, nieuwsgierigheid. Een exclusieve samenleving is bang voor verlies van identiteit, bang voor het verlies van comfort. Hoe komt dat? Omdat een patriarchale, exclusieve samenleving ooit ontstaan is uit angst. Angst voor honger, voor materieel gebrek, angst voor vernietiging. Een patriarchale samenleving verdedigt zichzelf, sluit de rijen en zoekt een vijand van buitenaf. Een partnerschapsamenleving echter is open voor verandering, want ze vertrouwt op samenwerking en is vanuit het inclusieve tolerant.
Dat is mijns inziens het antwoord op bovengestelde vraag. De aard van onze cultuur is de oorzaak waarom er altijd allerlei collectieve vooroordelen op de loer liggen. Want we zijn gewend andere mensen met andere gewoonten en andere geloven argwanend te bekijken. Dat is een levenshouding geworden. Het is geen natuurlijke eigenschap van mensen. Het is aangeleerd gedrag. Dus het kan ook weer afgeleerd worden.

Slot.
Hoe zouden we nu moeten omgaan met mensen en bewegingen die polarisatie scheppen? Welnu, zegt Elisabeth Young–Bruehl, we zouden in de eerste plaats op moeten houden ze verwijten te maken. Want dat leidt tot verharding. Het is belangrijk te erkennen – ook in het openbare debat – dat mensen zich onzeker voelen en angstig vanwege de economische situatie. Dus: toon begrip en sympathie. Verander je houding van vijandigheid in het luisteren naar waarom deze mensen zo boos zijn. In de tweede plaats, zegt zij, politici zouden moeten opstaan en zeggen: zien jullie niet dat dit – islamofobie- hetzelfde is als antisemitisme? Maar zulke dingen mag je niet hardop zeggen, daar rust een stevig taboe op. Ik ken maar één politicus die dat een tijdje geleden al gezegd heeft, namelijk Jan Marijnissen. Young-Bruehl constateert dat gematigde politici te begripvol zijn en niet de ruggengraat hebben stelling te nemen. Daarmee veroorzaken ze zelf dat obsessieve personen macht krijgen.
Het boeiende van die middag was dat het seminar na mijn vraag een heel andere kant op ging dan was voorzien. Veel aanwezigen sloten met hun opmerkingen hierbij aan en bijna het hele debat ging over het meest actuele vooroordeel dat nu in Europa speelt, de islamofobie. Graag had ik nog over andere aspecten met mevrouw Young-Bruehl van gedachten gewisseld, maar daar was geen tijd meer voor. Al met al een interessante middag die veel stof tot nadenken geeft.

Category: Ongerubriceerd  | One Comment
Author: lauri
• zondag, juni 20th, 2010

Sommigen van jullie weten dat ik een aantal jaren geleden een opleiding tot sjamaan ben begonnen. Na een periode van ca. 15 jaar werken als mediamiek kanaal voor de geestelijke wereld, brak er een stille tijd voor mij aan. In 2004 zei een helderziende genezer tegen mij:”Je zult een nieuwe leraar krijgen en weer helemaal onderaan moeten beginnen”. Een jaar later ontmoette ik mijn huidige sjamanenlerares, Ria Font Freide. Het mooie van haar vind ik dat ze niet aan de weg timmert. Ze zoekt niet de publiciteit. Ze heeft geen fancy website, maar een heel eenvoudige, waarop ze het meest noodzakelijke vermeldt. Het pad dat zij aanbiedt verschilt van andere sjamanistische scholen in zoverre dat het bij haar gaat om innerlijk sjamanisme. Ze begint dus niet met allerlei sjamanistische technieken, rituelen, zweethutten, soul-retrieval en wat dies meer zij. Er wordt op individueel niveau gewerkt met totemdieren, totembomen, met de medicijnspiraal, met de windrichtingen en de chakra’s. Alles is bedoeld om de innerlijke sjamaan in jezelf op te wekken. Pas als die innerlijke sjamaan wakker is geworden, wordt er een vorm gevonden waarin die zich kan manifesteren. Van binnen naar buiten. Dat vind ik mooi.

Ik ben nog steeds op dat pad. Het begon met een intensieve cursus van twee jaar, maar gaandeweg werd het een levenswijze. Begin juni maakte ik een natuurtraining mee in de Dordogne ( Fr.), in een prachtige, vrijwel onbewoonde vallei aan de rivier de Céou. Door het contact met de natuur en de leiding van mijn leraar ben ik weer in een diepere laag van mijzelf gezonken. Wat dit voor uitwerking zal hebben in mijn dagelijks leven, laat zich nog vermoeden. Vanuit deze beleving komt nu de behoefte om over deze draaggolf in mijn leven te delen. Vandaar dit artikel. Sjamaan-zijn is een manier van leven. Een wijze van zijn. Niets meer en niets minder.

Wat is de oorsprong van sjamanisme?
Je zou kunnen zeggen dat sjamanisme de oudste vorm van spiritualiteit ter wereld is. Het bestaat al zolang als er mensen zijn. Sporen van sjamanistische gebruiken zien we al in het Paleolithicum (30.000 jaar geleden), in grottekeningen en gereedschappen. Sjamanisme bestond al lang vóór de verering van de godin als personificatie van het vrouwelijk principe. Sjamanisme komt voort uit de eenheid met de natuur en de gelijkwaardigheid van alle wezens, dus ook van man en vrouw.

 Vroeger dacht ik dat sjamanen altijd mannen waren/zijn, maar niets is minder waar. Sjamanen zijn van oorsprong zowel mannen als vrouwen geweest. Vrouwelijke sjamanen hielden zich vooral bezig met geboorte en dood. Beide zijn immers poorten naar andere dimensies. Veel vrouwelijke sjamanen waren dan ook vroedvrouwen. Soms werd een vrouw sjamaan na de geboorte van haar eerste kind. Vrouwelijke sjamanen stonden hun medemensen ook bij tijdens het stervensproces en verzorgden de begrafenisrituelen. Kennis van kruiden en contact met totemdieren waren hierbij van belang.

Volgens sommige sjamanen in de Zuid-Amerikaanse traditie zijn vrouwen zelfs beter geschikt om sjamaan te zijn dan mannen, omdat ze een baarmoeder hebben. De primaire functie van de baarmoeder is de voortplanting, maar een even belangrijke is: kennis verwerken en waarnemer zijn. Wij vrouwen verwerken kennis door ons gevoel en ons gevoel zetelt in de baarmoeder. Vanwege onze baarmoeder hebben vrouwen het vermogen om energie rechtstreeks te zien. Daardoor verandert de baarmoeder in een orgaan van evolutie. Mannen moeten dit leren, vandaar dat in vele tradities mannelijke sjamanen zich moeten gaan gedragen als vrouwen. Ze moeten in feite afstand doen van wat hen tot man maakt.[1] Echter, wij vrouwen zijn onze natuurlijke vermogens vergeten onder invloed van het patriarchale bewustzijn. Dat heeft ons beroofd van ons zelfvertrouwen en van onze kennis. Daardoor ervaren wij onze baarmoeder nu uitsluitend als voortplantingsorgaan.

 Onder de Altaise nomaden in Siberië waren vrouwen de enige sjamanen gedurende de 4e tot de 6e eeuw. Het waren de oude vrouwen die de Weg naar het Land van de Doden bewaakten. Deze vrouwen werden beschouwd als de voorouders van alle sjamanen. In het oude China en Korea waren vrouwelijke sjamanen in de meerderheid. In Japan waren de eerste sjamanen vrouwen.

In de vroegere verzamelaars-jagers-culturen werkten vrouwelijke en mannelijke sjamanen samen. Het was sowieso een samenleving zonder scherpe arbeidsverdeling. Mannen en vrouwen jaagden samen en de hele groep zocht gezamenlijk naar plantaardig voedsel. Als er gejaagd moest worden was het de vrouwelijke sjamaan die contact zocht met het dier dat zich aanbood en zij vertelde de mannen waar het dier te vinden was. De geest van het dier werkte vrijwillig mee aan de voedselvoorziening van de mensen. Nog niet zo lang geleden gebeurde de jacht op deze manier bij de Inuït in Alaska. In feite waren daar alle oudere mannen en vrouwen sjamanen.[2] Het is door de mannelijke antropologen gekomen dat we zijn gaan denken dat alle sjamanen mannen waren. Dat is dus niet juist.

 Wat is sjamanisme?
Zoals ik hierboven al schreef: sjamanisme is een levenshouding. Eén waarbij je jezelf als individu een deel voelt van een groter geheel. En dan ook contact hebt met alle levensvormen in dat grote geheel. Niet alleen nu levende mensen, maar ook dieren, planten, je voorouders, je gidsen enzovoorts. Ze behoren allen tot je werkelijkheid. Als sjamaan ken je je innerlijke kracht, maar ook je valkuilen. Je leeft het leven zoals het zich aan je voordoet en gaat er niet aan morrelen. Je hoeft jezelf niet te veranderen; sjamanisme is geen therapie. Het is wel een manier om heel te worden, om met jezelf in het reine te komen. En het is een pad van dienstbaarheid. Dienstbaarheid die draait om de vraag: hoe kan ik de boodschap van moeder aarde het beste beantwoorden?

 Ook onze verre voorouders waren sjamanen. Vanuit de Noord-Europese traditie is ons de kennis overgeleverd van de levensboom, de wereldes Yggdrasil. Langs deze boom kan de sjamaan in de droom de drie werelden bezoeken: de bovenwereld, de middenwereld en de onderwereld. Sjamanisme was de kern van het religieuze bewustzijn in onze streken op het moment dat het christendom zijn intrede deed. Door deze nieuwe godsdienst werd een scheiding aangebracht tussen denken en voelen; tussen holistisch denken en logisch denken. Daardoor ontwikkelde zich bij de westerse mens het idee dat men de natuur kon beheersen en exploiteren. De ervaring, het innerlijk weten onderdeel van de natuur te zijn, ging grotendeels verloren.

Veel mensen denken bij sjamanisme meteen aan de Amerikaanse Indianen. Vaak worden in onze westerse spirituele bewegingen  hun technieken nagebootst, zonder dat we ons de bijbehorende levensvisie hebben eigen gemaakt. Daar maken deze volkeren dan ook terecht bezwaar tegen en noemen het ‘geestelijk kolonialisme’. We zijn vergeten dat we zelf ook sjamanistische wortels hebben. Veel daarvan kunnen we terugvinden in Azië: Rusland en Mongolië bijvoorbeeld, waar sjamanisme, na eerdere onderdrukking, nu weer volop beoefend wordt.

 Mijn lerares, Ria Font Freide, zegt een hedendaags sjamanisme vorm te geven, midden in de moderne wereld. Het is dus een sjamanisme van deze tijd en toch geworteld in de oude tradities. Ze zegt ook: Als je dit pad gaat geef je het shoppen op. Je maakt een commitment voor dit pad. Eerlijk gezegd had ik daar in het begin moeite mee. Ik had al zoveel wegen begaan, voor mij was dit aanvankelijk niet meer dan de zoveelste interessante cursus. Maar het heeft me gegrepen en ik ben opgehouden te zoeken naar andere wegen. Vanuit deze innerlijke ontwikkeling gebruik ik nu ook in mijn counselingpraktijk sjamanistische methoden waar het van toepassing is. (trancereizen, drummen e.d.) Ik merk dat al mijn vroegere activiteiten nu binnen dit pad beginnen te vallen. Ook het lopen van het labyrint past daarin; het is immers een oude sjamanenweg. Tevens maak ik contact voor je met je gidsen en je totemdieren.

Voor wie meer wil weten over de School voor Innerlijk Sjamanisme, zie: www.spiritueelvormgeven.nl


[1] Bronnen: Florinda Donner: De gedroomde werkelijkheid, Ned. Vert. Uitg. Karnak, 2000 en Carlos Castaneda: Magische Oefeningen, Ned. Vert. Uitg. Servire, 1998.

[2] Informatie uit: Barbara Tedlock, Ph.D. The Women in the Shaman’s Body , Bantam Books, 2005.

Category: Ongerubriceerd  | One Comment
Author: lauri
• zondag, maart 21st, 2010

De eerste Godinnencursus is voorbij. Gisteren hadden we onze laatste bijeenkomst. Ik voel me dankbaar voor al die godinnen die bij ons langs zijn gekomen en die ons gaven wat we nodig hadden. .Ook ben ik heel tevreden omdat de cursus datgene teweeg heeft gebracht wat ik bedoelde, namelijk een dieper  en doorleefder inzicht in waar ik in mijn boek naar heb willen wijzen: het Goddelijk Vrouwelijke. Bijna alle deelneemsters gaven aan dat ze door deze cursus mijn boek op een andere manier gelezen en geïntegreerd hebben en in sommige gevallen ook beter begrepen; minder vanuit het hoofd. Dat is precies wat ik beoogde te bereiken, namelijk een samenvloeien van linker-en rechterhersenhelft. Wat leidt tot een vollediger begrip van het gelezene. Ook gaven cursisten aan dat wat ze geleerd hebben toepasbaar is in hun dagelijks leven. Sommigen zijn door een heel persoonlijk proces gegaan en hebben daar voor hun gevoel vorderingen in gemaakt. Kortom, geen geringe resultaten!
Ik ben erg blij met deze cursus en hoop dat ik deze nog vaak mag geven. Mocht je belangstelling hebben, meld je dan vast aan, zodat ik daarop kan inspelen.

Category: Workshops  | 2 Comments
Author: lauri
• dinsdag, december 22nd, 2009

De lezers van mijn boek zullen wel begrijpen dat het eerste kerstverhaal in Egypte is ontstaan. Niet alleen omdat het vroege christendom naar alle waarschijnlijkheid in Egypte begon, maar ook omdat de basis van ons kerstfeest ligt in de mythen van Isis en Osiris. Het geheel is omgeven met een symboliek die ook voor de hedendaagse mens vol betekenis is.

In het oude Egypte vierden ze op 25 december de geboorte van het kind Horus. Ze noemden dat de Dag van het Kind in de Kribbe. Op die dag werden boompjes versierd en daar werden dan cadeautjes voor de kinderen onder gelegd, want het was een kinderfeest. Horus was het Christuskind. Hij was de Karast, in het Grieks de Christus, wat betekent: de Gezalfde. Zijn naam was ook: Karast Neferhept: de Goede Vrede, hij die vrede brengt. Elk jaar werd hij opnieuw geboren, daarom droeg hij ook de naam Iusu, dat is: de (steeds weer) komende. Hiervan is de naam Jezus afgeleid.

De verwekking van Horus was een wonder, immers zijn moeder Isis was een maagd. Nu werd in de oudheid aan het woord maagd een andere betekenis gegeven dan in het christendom. Een maagd was een onafhankelijke vrouw, die niet aan een man toebehoorde. Dat wilde niet zeggen dat ze geen seksueel verkeer had met mannen. In alle oude mysterieculturen van het Midden-Oosten was er een maagdelijke godin die geboorte gaf aan een goddelijk kind, haar zoon. Dat was zo bij Demeter, die Ploutos voortbracht, ook genoemd Iasos. Het was zo bij Afrodite; haar zoon was Adonis. De zoon van Kybele heette Attis en Mithras was de zoon van de zonnegodin Anakhita. En ook het oude Mesopotamië kende de Goddelijke Maagd en haar zoon; Ishtar/Astarte/Inanna baarde Tammuz, later Dumuzi genoemd.

Het woord maagd betekende zelfs méér. Het verwijst ook naar het geloof dat de Godin zichzelf had voortgebracht ( parthogenese) en al bestond vóór het begin van alles. Wat later aan de vader-god werd toegeschreven, namelijk het adagium ‘niet geboren, niet gemaakt’, was van oudsher de eigenschap van de Grote Moeder. Het moederprincipe werd immers gezien als de oorsprong van al het leven. De zoon van de Godin was dan ook niet verwekt door een vader, hij was ‘maagdelijk ontvangen’, zonder de fysieke bijdrage van een man. In het christendom is daarvan gemaakt ‘onbevlekt ontvangen’, omdat ‘bevlekking’ wees op de door de kerk zondig geachte seksuele daad.

Nu ging dat bij Isis en Osiris wel op een heel bijzondere wijze. In het oude Egypte was de gelijkwaardigheid van vrouw en man lange tijd hooggehouden, zelfs na de komst van het patriarchaat. Isis en Osiris waren een model voor de ware liefde tussen man en vrouw. Toen Osiris was ontvoerd en later gedood door zijn broer Seth, deed Isis al wat in haar vermogen lag om haar geliefde weer tot leven te brengen. En, een godin waardig, schuwde zij niet haar magie te gebruiken. Zij veranderde zichzelf in een vogel, een wouw. Net als de gier, die in Egypte vereerd werd als de godin van dood en regeneratie, stond ook de wouw bekend als een transformatief dier. Een pikant detail: men dacht dat alle gieren vrouwelijk zijn en in de lucht hun jongen ontvangen, zonder mannelijke tussenkomst. Als wouw vloog Isis over het lichaam van de dode Osiris, tot zij hem met haar vleugelslag de levensadem terugbracht. Zo sterk was haar liefde. En, zonder dat zij hem aanraakte, werd zij in de lucht zwanger van hem. Een echte ‘onbevlekte ontvangenis’ dus. Men zegt wel dat de kracht en intensiteit van de tantrische gemeenschap tussen twee geliefden zó sterk kan zijn, dat de beiden elkaar niet behoeven aan te raken om tot vervulling te komen. Isis was de meesteres van de tantra; in haar tempels werd de ‘seksmagie van Isis’ onderwezen. Het kind Horus was de vrucht van de tantrische liefdespraktijk van Isis en Osiris. Zo is – symbolisch gezien- de geboorte van het Christuskind een regelrecht gevolg van de vereniging tussen het vrouwelijke en het mannelijke in onszelf.

Van oudsher is de geboorte van het goddelijk kind op Midwinter een teken van de terugkeer van het licht na de kortste dag. Het symbool van het zaad dat gezaaid is in de herfst en onder de sneeuw ligt te wachten op de lentezon. Het kind als teken van hoop.

Maar het is méér. Er is iets aan voorafgegaan, namelijk de uiterste liefdesversmelting, het opheffen van de dualiteit. Dat brengt iets goddelijks voort, een nieuw leven dat aan het voorgaande ontstijgt. En dat is iets wat we in onszelf kunnen verwerven, waar we zelf verantwoordelijkheid voor zijn. Het gaat in wezen om onze eigen innerlijke geboorte. Zo heeft het ware kerstverhaal een nog andere dimensie dan we dachten. Laten we ons dat herinneren als we dit jaar Kerst vieren.